
De Schoonheid van Vergankelijkheid
Het blijft mij verwonderen hoeveel schoonheid er schuilt in het moment na de bloei. Zoals het blad van een uitgebloeide Euphorbia pulcherrima – ‘de allerschoonste’, beter bekend als de kerstster. Hoe langer je kijkt, hoe meer je ontdekt: structuren, haartjes, aders…
Respect voor de natuur en onze aarde loopt als een rode draad door mijn leven en werk. De kerstster, een symbool van feestelijkheid en schoonheid, blijkt allesbehalve natuurlijk. Dat inzicht zette mij aan het denken. Hoe natuurlijk is iets dat wij als vanzelfsprekend zien? Wat verstaan we onder schoonheid?
Achteraf gezien begrijp ik het steeds beter, en dat past bij mij: alles heeft tijd nodig om verwerkt te worden. ‘Schoonheid van Vergankelijkheid’ is ontstaan in de garage van mijn moeder. Mijn vader was net overleden (8 januari 2021). Ik wilde veel bij mijn moeder zijn, maar ook kunnen werken.
De oplossing was om een werkplek te creëren in de garage van mijn vader. Samen met mijn moeder lieten we alles door onze handen gaan: wat bleef, wat ging weg. Het was veel, heel veel. Want mijn vader had wel gezegd dat hij spullen weg zou gooien, maar uiteindelijk vonden we ze weer terug in de garage. Hij kon dan ook als de beste spullen stapelen; het zag er altijd netjes uit. Deurkrukken, scharnieren, bouwlampen, fietsbanden, waterpassen, hamers, (niet één maar wel tien of twintig stuks per voorwerp), losgeraakte onderdelen (je weet maar nooit of je ze nog kunt gebruiken), ruitenwissers, klemmen, en ga zo maar door. Oh ja, ook botte messen die met tape aan het houten handvat bevestigt waren.
Mijn moeder en ik hadden veel verdriet; we hielden ontzettend veel van hem. Het opruimen hielp bij het verwerken, we hebben ook veel tranen gelachen. Toen ik de eerste foto’s maakte in de garage kreeg ik kippenvel. Ik voelde dat dit wat zou worden, dat ik mijn plek had gevonden, dat ik dit het liefst wilde maken na een jarenlange zoektocht.
Dit was het begin van mijn serie ‘Wonderlijk’: het keerpunt. Portretten van mensen werden portretten van natuurlijke vondsten, juweeltjes, uitgebloeid, verwelkt, maar oh zo mooi. Ik werk intuïtief. Als iets mijn aandacht trekt, neem ik het mee om het verder te bestuderen achter de camera. Dan zoek ik naar de schoonheid en tegelijkertijd het onbekende, een vervreemding. In ‘Schoonheid van Vergankelijkheid’ laat ik uitgebloeide objecten weer tot leven komen, in een nieuw jasje. De vervreemding die ik zoek of juist het unieke wat iets bijzonder maakt, zocht ik eerder bij de mens. Dit zit diep in mij. Het gaat niet om wie of wat ‘mooi’ is, niet om het uiterlijk. Het gaat om de binnenkant, het karakter, de essentie.
